Meubelfabriek Huizinga

Willem Haver Huizinga-brief 2Begin 1893 begon Willem Haver als houtsnijder bij meubelfabriek “Nederland” aan de Westersingel te Groningen. De fabriek werd ook wel “Huizinga” genoemd, naar de eigenaar J.A. Huizinga. Het schijnt dat Huizinga bepaald geen prettige man was. Met een petje op hoofd en de handen op z’n rug besloop hij z’n werknemers van achteren om te zien of ze wel goed doorwerkten. Haver maakte van hem een beeldje dat hij “De ploert” noemde. Het laat geen enkele twijfel bestaan over hoe Haver over hem dacht. Jammer genoeg is er geen afbeelding van het beeldje bekend, ook is niet bekend waar het zich heden ten dage bevindt.

Bij Huizinga leerde Willem ook Arnold Willem Kort kennen. Kort, uit Haarlem afkomstig kwam in 1901 naar Groningen. Hij trad als ontwerper/decorateur in dienst bij Huizinga. Kort werkte alleen op het platte vlak en was voor zijn ruimtelijke ontwerpen op Haver aangewezen. Ze werkten dan ook veel samen, Kort ontwierp, en Haver voerde het uit.

Beviel het resultaat, dan werd het prototype in productie genomen. Ook werden bijzondere opdrachten door de twee uitgevoerd. Zo kreeg Huizinga o.a. opdracht om een doopvont voor de gereformeerde kerk in de Akkerstraat te maken en ook hier ontwierp Kort en voerde Haver het ontwerp uit. De twee waren vrienden en werkten ook buiten hun werk met elkaar samen. In 1908 werd Kort benoemd tot leraar tekenen aan de Groninger kunstacademie Minerva.

Zo gaan wij als stichting ervan uit dat het houtsnijwerk (uit 1915) dat zich in het pand aan de Oude Boteringestraat 52 te Groningen bevindt en waarvoor meubelfabriek Huizinga de opdracht binnen sleepte (zie WH magazine I) ook is voort gekomen deze samenwerking. Resultaten van hun samenwerking exposeerden ze bij Pictura, een van de oudste, in 1832 in Groningen opgerichte en nog steeds bestaande kunstgenootschappen in ons land.

Pictura had in die tijd nog niet de beschikking over een eigen pand, de exposities werden in het toentertijd nog nieuwe Groninger Museum aan de Praediniussingel gehouden in de zogenaamde Picturazaal. In 1918 nam ook Haver daar aan deel. Haver exposeerde ook in de etalage van boekhandel Sluiter en zeker twee maal in De Regenboog. De Regenboog was de in 1934 door Jan Derksen Staats opgerichte tegenhanger van de nogal radicale schilders van de Ploeg. Beide keren verkocht Haver niets. Hij raadde zijn zoon Louis, die ook beeldend kunstenaar was, dan ook af om er te exposeren. Niet duidelijk is of Haver ook zijn vrije werk exposeerde. Functioneel werk in ieder geval wel, zo staat achterop een klok van zijn hand nog de prijs die hij daarvoor vroeg. Het zullen kleine exposities zijn geweest met hooguit een paar werken per deelnemer.

De fabriek v Huizinga

De werkplaats van meubelfabriek Huizinga rond 1910

Rond 1900 maakte Haver deel uit van een clubje van kunstenaars de zg “tekenclub”. Daaraan namen deel: Johannes Ates, Cornelus Pieter de Wit,  Adriaan van Wissen en Arnold Willem Kort, en mogelijk ook Dirk de Vries Lam. Diverse disciplines waren daarin verenigd: schilders, een architect en Haver dus als beeldhouwer. Waarschijnlijk heeft het clubje niet zo heel erg lang stand gehouden. Wel weten we dat ze onderling af en toe werk ruilden. Zo kwam Haver in het bezit van werk van Kort en van Ates. Omgekeerd kwamen zij in het bezit van werk van Haver. Vermoedelijk tekende Haver daar ook, er is een schetsboekje van hem bewaard gebleven.

Met de verhuizing naar de Bedumerweg rond 1917 waagt Haver de sprong naar het zelfstandig kunstenaarschap, weliswaar werkte hij ook voor die tijd voor zichzelf maar op z’n nieuwe adres had hij eindelijk de beschikking over een eigen atelier aan huis. De sprong naar zelfstandigheid is vermoedelijk mede ingegeven door de voortdurende loonsverlagingen op de meubelfabriek. Z’n oudste dochter Jo maakte circulaires die naar potenciele opdrachtgevers werden verstuurd. Hij blijft overigens op part time basis werk verrichten voor diverse opdrachtgevers.

Voor het vervolg zie: Religieus werk en Toegepaste kunst